Klas 2
Dit jaar gaan wij het over verschillende onderwerpen hebben.
In periode 2 gaan wij aan de slag met de bloedsomloop, het ademhalingsstelsel en gezondheid.
Organisatie - niveau's
In de biologie wordt er in verschillende niveaus van het leven gesproken. Het is belangrijk dat je weet over welk niveau er wordt gesproken tijdens de uitleg.
De organisatieniveau's zijn:
Systeem Aarde: Heet ook wel Biosfeer
Levensgemeenschap: Dit zijn alle organismen die samenleven in een gebied
Populatie: Alle organismen van een zelfde soort die leven in een bepaald gebied en zich kunnen voortplanten.
Organismen: Levende wezens
Orgaanstelsel: Organen die samenwerken
Orgaan: Bijvoorbeeld de lever
Weefsel: Cellen met dezelfde vorm en functie
Cel: Bijvoorbeeld een levercel
Organel: Onderdeel in de cel
Molecuul: Bijvoorbeeld DNA
De 6 voedingsstoffen:
Koolhydraten
Vetten
Eiwitten
Water
Vitamines
Mineralen
Lesson up les
Deze les kan je bekijken voor meer informatie over voedingsmiddelen, voedingsstoffen, conserveren. Zie de les die bij de onderstaande knop staat.
Enzymen die nodig zijn voor de vertering van voeding
Zetmeel( koolhydraat) wordt in kleinere stukjes glucose geknipt. De enzymen die dit doen zijn:
Amylase en Maltase
Vetten worden in kleinere stukjes glycerol en vetzuren geknipt. De enzymen die dit doen zijn:
Lipase
Gal zorgt er eerst voor dat de grote vetklonten, kleinere vetdruppels worden, zodat de lipase hier goed mee aan de slag kan. het kleiner maken van de grotere vetklonten door gal noemen wij emulgeren.
Eiwitten wordt in kleinere stukjes aminozuren geknipt. De enzymen die dit doen zijn:
pepsine en peptidase
Je kan deze puzzel over het onderwerp voedsel en vertering maken. De antwoorden staan bij opdrachten en oefeningen.
Opdracht schema vertering
In deze opdracht staat een schema waar in aangegeven kan worden welke enzymen de voedingsstoffen stuk maken.
Enzymen zijn eiwitten die processen in ons lichaam versnellen. Zo maakt het eiwit Amylase van zetmeel kleinere stukjes glucose.
Het zetmeel past precies in de Amylase. Als het zetmeel in de amylase zit, wordt de zetmeel in 2 stukken glucose gebroken.
Ieder substraat heeft zijn eigen enzym en er maakt hiervan ook steeds dezelfde producten.
Samenstelling bloed:
Bloedplasma bestaat uit
Water: zorgt voor het vervoer van de onderdelen van het bloed.
Opgeloste stoffen: dit zijn voedingsstoffen en afvalstoffen
Eiwitten: zorgen samen met bloedplaatjes voor korsten op de plekken waar wondjes zijn.
Bloedlichaampjes( cellen):
Rode bloedcellen: vervoeren het zuurstof door het lichaam. Heeft een dikke buiten rand en aan de binnenkant is deze cel dun. Het lijkt op een donut met een vliesje.
Witte bloedcellen: bestrijding van bacteriƫn en virussen. Heeft een celkern, en kan van vorm veranderen.
Bloedplaatje: zorgt samen met de eiwitten voor korstjes, en kan stollen.
Hart
Het hart bestaat uit 2 kanten de linker en de rechterkant. Hierbij moet je in spiegelbeeld denken als je naar een platje van het hart kijkt ( dokter-patiƫnt).
In het rechter gedeelte zit zuurstofarm-bloed. Dit bloed gaat naar de longen toe. In de longen komt er weer zuurstof in het bloed en het gaat terug naar het hart. Dit keer komt het bloed in de linkergedeelte van het hart.
Als het bloed vanuit het linkergedeelte van het hart komt, komt het in een belangrijk bloedvat: de aorta. Vanuit de aorta ontstaan de slagaders. Die brengen het bloed naar de organen. Via de aders gaat het bloed naar de holle ader. Via de holle ader komt het bloed terug naar het hart.
Onderdelen hart:
1. Holle ader 5. Longader
2. Rechter boezem. 6. Linkerboezem
3. Rechter kamer. 7. Linker kamer
4. Longslagader 8. Aorta
Bloedsomloop
De mens heeft een dubbele bloedsomloop. Een grote en een kleine.
Grote bloedsomloop: hart-orgaan-hart
Kleine bloedsomloop: hart-long-hart
Namen geven aan de bloedvaten:
Slagaders: als het bloed van het hart naar het orgaan toegaat. Naam van het orgaan voor slagaders zetten.
aders: als het bloed vanaf het orgaan naar het hart toegaat. Naam van het orgaan voor slagaders zetten.
Voorbeeld bij het orgaan nieren:
Nierslagader: bloed gaat van hart naar de nieren.
Nierader: bloed gaat van de nieren naar het hart.
Longblaasje
In het longblaasje komt de lucht die een persoon heeft ingeademd. In die lucht zit veel zuurstof. Deze zuurstof gaat door de wanden van het longblaasje en het haarvat bloedvat).
Het zuurstofdeeltje koppelt zich aan een rode bloedcel en verplaatst richting een orgaan/cel die zuurstof nodig heeft.
In de cel vind verbranding plaats.
glucose + zuurstof --> koolstofdioxide + water + energie
De koolstofdioxide gaat via het bloed weer terug naar de longblaasjes. Hier gaat de koolstofdioxide vanuit het bloed door de wanden van het haarvat en longblaasje naar het longblaasje en wordt de koolstofdioxide uitgeademd.
Verbranding
Het hart
Bloedsomloop
Longblaasje
Vervoeren van zuurstof
Werkblad bloedsomloop en het hart
In deze werkbladen staat informatie over de bloedsomloop en hart.
De Nier
Deze video legt uit wat de nier doet, en wat er in een Nefron gebeurd.
De Lever
Deze video legt uit welke bloedvaten er van en naar de lever toestromen en wat de functies van de lever zijn.
Glucose opslag
Deze video legt uit hoe glucose wordt opgeslagen in het lichaam, en welke hormonen hierbij belangrijk zijn.
Verbrandingsreactie
Deze video legt uit hoe verbranding in het lichaam gaat om zo energie te krijgen.
Duurzaamheid
Video's over invloed op aarde en voedselproduceren
Bevruchting en het DNA
Op het moment dat er een eicel en een zaadcel in eileider bij elkaar komen versmelten de kernen. Hierdoor komt het DNA van de zaadcel en eicel bij elkaar. Het aantal chromosomen van de bevruchte eicel is 46.
De bevruchte eicel kopieert het DNA en op het moment dat er 2 cellen van de bevruchte eicel wordt gemaakt, verdeeld het DNA zich over die 2 cellen. Dit proces gaat een paar keer door net zo lang totdat er een klompje cellen ontstaat, en uit eindelijk een baby
Erfelijkheid
Deze video legt uit hoe de monohybride kruisingen werken.
Evolutie
Evolutie gaat over de verandering van generaties over miljarden jaren. Door die verandering ontstaan er nieuwe soorten. Natuurlijke selectie is hier erg belangrijk kin. Natuurlijke selectie betekend dat de organismen met die zich het beste kunnen aanpassen op de omgeving, de meeste overlevingskansen hebben. Deze organismen hebben ook veranderingen in hun DNA, die in dit geval gunstig zijn voor de omgeving. veranderingen in het DNA noemen wij mutaties.
De onderzoeker die belangrijk was voor de evolutietheorie was Charles Darwin. Hij deed zijn onderzoek op de galapagos-eilanden en hij onderzocht daar de vinken en schildpadden.
Kringloop met verbranding en en fotosynthese
Bij de mens vindt er verbranding plaats in de spieren. Hierbij wordt er gebruik gemaakt van glucose en zuurstof. er ontstaat water, koolstofdioxide en energie.
Bij planten vindt fotosynthese plaats in de bladgroenkorrels. Hiervoor gebruiken zij water en koolstofdioxide. Als er dan zonlicht op de bladgroenkorrel schijnt ontstaat er glucose en zuurstof die dan weer door de mens gebruikt kan worden. Dit is een voorbeeld van een kringloop.
Opslag glucose
Als er te veel glucose in het bloed zit, dan wordt de glucose eruit gehaald en opgeslagen in de lever. Insuline komt dan bij de glucose om hier glycogeen van te maken. Als de glucose weer nodig is, komt er glucagon bij om van de glycogeen weer glucose te maken.