Klas 5 

Wij hebben het in periode 4 over de onderwerpen examentraining 

Examentraining: DNA, Erfelijkheid, evolutie, celtransport

Examentraining: vaardigheden & formuleren


Examen training: de laatste loodjes met oefen opgaven.

Organisatie - niveau's

In de biologie wordt er in verschillende niveaus van het leven gesproken. Het is belangrijk dat je weet over welk niveau er wordt gesproken tijdens de uitleg.
De organisatieniveau's zijn:

Systeem Aarde: Heet ook wel Biosfeer
Levensgemeenschap: Dit zijn alle organismen die samenleven in een gebied
Populatie: Alle organismen van een zelfde soort die leven in een bepaald gebied en zich kunnen voortplanten.
Organismen: Levende wezens
Orgaanstelsel: Organen die samenwerken
Orgaan: Bijvoorbeeld de lever
Weefsel: Cellen met dezelfde vorm en functie
Cel: Bijvoorbeeld een levercel
Organel: Onderdeel in de cel
Molecuul: Bijvoorbeeld DNA

Bevruchting en het DNA

Op het moment dat er een eicel en een zaadcel in eileider bij elkaar komen versmelten de kernen. Hierdoor komt het DNA van de zaadcel en eicel bij elkaar. Het aantal chromosomen van de bevruchte eicel is 46. 

De bevruchte eicel kopieert het DNA en op het moment dat er 2 cellen van de bevruchte eicel wordt gemaakt, verdeeld het DNA zich over die 2 cellen. Dit proces gaat een paar keer door net zo lang totdat er een klompje cellen ontstaat, en uit eindelijk een baby

Erfelijkheid

Deze video legt uit hoe de monohybride kruisingen werken.

Mono hybride kruising

Bij een monohybride kruising wordt er gerekend met 1 eigenschap. 

Di hybride kruising

Bij een di hybride kruising wordt er met 2 erfelijke eigenschappen gerekend. In dit geval 
eigenschap A en eigenschap B.

Evolutie

Evolutie gaat over de verandering van generaties over miljarden jaren. Door die verandering ontstaan er nieuwe soorten. Natuurlijke selectie is hier erg belangrijk kin. Natuurlijke selectie betekend dat de organismen met die zich het beste kunnen aanpassen op de omgeving, de meeste overlevingskansen hebben. Deze organismen hebben ook veranderingen in hun DNA, die in dit geval gunstig zijn voor de omgeving. veranderingen in het DNA noemen wij mutaties. 

De onderzoeker die belangrijk was voor de evolutietheorie was Charles Darwin. Hij deed zijn onderzoek op de galapagos-eilanden en hij onderzocht daar de vinken en schildpadden. 

Hart

Het hart bestaat uit 2 kanten de linker en de rechterkant. Hierbij moet je in spiegelbeeld denken als je naar een platje van het hart kijkt ( dokter-patiënt).
In het rechter gedeelte zit zuurstofarm-bloed. Dit bloed gaat naar de longen toe. In de longen komt er weer zuurstof in het bloed en het gaat terug naar het hart. Dit keer komt het bloed in de linkergedeelte van het hart.
Als het bloed vanuit het linkergedeelte van het hart komt, komt het in een belangrijk bloedvat: de aorta. Vanuit de aorta ontstaan de slagaders. Die brengen het bloed naar de organen. Via de aders gaat het bloed naar de holle ader. Via de holle ader komt het bloed terug naar het hart.

Onderdelen hart:
1. Holle ader                         5. Longader
2. Rechter boezem.             6. Linkerboezem
3. Rechter kamer.                7. Linker kamer
4. Longslagader                   8. Aorta

Bloedsomloop

De mens heeft een dubbele bloedsomloop. Een grote en een kleine.
Grote bloedsomloop: hart-orgaan-hart
Kleine bloedsomloop: hart-long-hart

Namen geven aan de bloedvaten:
Slagaders: als het bloed van het hart naar het orgaan toegaat. Naam van het orgaan voor slagaders zetten.
aders: als het bloed vanaf het orgaan naar het hart toegaat. Naam van het orgaan voor slagaders zetten.

Voorbeeld bij het orgaan nieren:
Nierslagader: bloed gaat van hart naar de nieren.
Nierader: bloed gaat van de nieren naar het hart.


Werkblad hart en bloedsomloop

Hier staan de werkbladen van het hart en de bloedsomloop.

Samenstelling bloed:

Bloedplasma bestaat uit
Water: zorgt voor het vervoer van de onderdelen van het bloed.
Opgeloste stoffen: dit zijn voedingsstoffen en afvalstoffen
Eiwitten: zorgen samen met bloedplaatjes voor korsten op de plekken waar wondjes zijn.

Bloedlichaampjes( cellen):
Rode bloedcellen: vervoeren het zuurstof door het lichaam. Heeft een dikke buiten rand en aan de binnenkant is deze cel dun. Het lijkt op een donut met een vliesje.
Witte bloedcellen: bestrijding van bacteriën en virussen. Heeft een celkern, en kan van vorm veranderen.
Bloedplaatje: zorgt samen met de eiwitten voor korstjes, en kan stollen. 

Specifieke afweer:

Bij de specifieke afweer wordt de ziekteverwerkken gefagocyteerd en een antigeen gepresenteerd met het APC. Een T-helpercel koppelt zich aan het antigeen vast en er wordenB-lymfocyten en T-lymfocyten aan gemaakt. HIerbij ontstaan antistoffe, gehuegencellen en cytotoxische cellen. Als er voldoende  cytotoxische cellen zijn, gaat r een sginaal naar de T-helpercellen. Deze T-helpercellen zullen dan omvormen naar T-suppresorcellen die de reactie zullen stoppen. 

Longblaasje

In het longblaasje komt de lucht die een persoon heeft ingeademd. In die lucht zit veel zuurstof. Deze zuurstof gaat door de wanden van het longblaasje en het haarvat bloedvat). 
Het zuurstofdeeltje koppelt zich aan een rode bloedcel en verplaatst richting een orgaan/cel die zuurstof nodig heeft. 

In de cel vind verbranding plaats. 
glucose + zuurstof --> koolstofdioxide + water + energie

De koolstofdioxide gaat via het bloed weer terug naar de longblaasjes. Hier gaat de koolstofdioxide vanuit het bloed door de wanden van het haarvat en longblaasje naar het longblaasje en wordt de koolstofdioxide uitgeademd.

Nieren:

De nieren zorgen dat het bloed gefilterd wordt en alle afvalstoffen eruit gehaald worden. Het bloed stroomt de nefron in, en hier wordt wordt het gefilterd. In de nefron worden er stoffen opgenomen en terug geresorbeerd in het lichaam. Ook wordt er nog veel vocht weer terug aan het lichaam gegeven. Van de rest wordt urine gevormd wat via de urineleider naar de blaas toegaat. 


1= nierschors, 2= niermerg, 3= nierslagader, 4=nierader, 
5= urineleider, 6= nefron

Zie je binas voor een uitgebreide afbeelding van een nefron. 

Gaswisseling plant:

Bij planten vindt de gaswisseling bij de bladeren plaats. Hier zitten de huidmondjes waarbij koolstofdioxide naar binnen gaat voor de fotosynthese en (overtollig) water eruit gaat via verdamping. Twee processen die bij plant plaats vinden zijn:

Verbranding in de plant:

Glucose + zuurstof --> water + koolstofdioxide + energie​​

Meeste koolstofdioxide komt uit de buitenlucht.

Fotosynthese:

Water+ koolstofdioxide --(zonlicht)---> glucose + zuurstof

Bij veel droogte zullen de huidmondjes sluiten om geen verdamping te hebben.​ Er komt dan geen koolstofdioxide binnen voor fotosynthese. ​De verbranding blijft wel door gaan, en hierdoor wordt het verbruik groter dan dat de aanmaak is. met als gevolg dat de planten verloren gaan. ​

Woestijnplanten: in de nacht huidmondjes open, en dan koolstofdioxide opslaan tot overdag, om dan fotosynthese te laten plaats vinden( dan is er zonlicht).

Lessonup over het oog

Presentatie over het oog.

De bouw van de zenuwcellen en impuls geleiding:

Alle zenuwcellen hebben dezelfde opbouw. Alleen hebben de verschillende type zenuwcellen steeds een andere aanpassing. Zenuwcellen hebben als taak om de impulsen door te geven. De impulsen gaan over de axon naar een synaps. Dit gebeurd met natrium en kalium pompen. Het natrium gaat de zenuwcellen uit, het kalium de zenuwcel in. Hierdoor ontstaat een verschil in lading in de zenuwcel. Het natrium en kalium gaan weer terug via pompen. Door dit mechanisme verplaatst een impuls zich over de zenuwcel, waarna het via synapsen en neurotransmitters naar de volgende cel gaat. 

Impulsen van cel 1 over springen naar cel 2

Als impulsen aan het einde van de axon komen, dan ontstaan er blaasjes met neurotransmitters. deze gaan de zenuwcel uit en de neurotransmitters gaan op de natriumpompen van de volgende cel zitten. Hierdoor opent die natriumpomp zich en kan het natrium( van de impuls) door naar de volgende cel. Hierdoor wordt de impuls doorgegeven aan de volgende cel. 

Opdracht: zenuwcellen. Kan jij alles benoemen?

Geef antwoord op de vragen en laat het controleren!

Powerpoints en video's klas 4 en 5

Video over relaties tussen verschillende soorten organismen

Video over populatie dynamiek

Video over voedselweb, voedselketen en voedselpiramide

Koolstofkringloop

Bij de koolstofkringloop zijn er 2 processen erg belangrijk:
Assimilatie: fotosynthese
Dissimilatie: verbranding

Stikstofkringloop:

Celcyclus

Uitlegvideo over de celcyclus met daarin de fases uitgelegd en chromosoom-chromatide. 

Mitose

In deze video wordt uitgelegd wat er in iedere fase van de mitose gebeurd.

Meiose

Deze video legt uit wat er bij de meiose gebeurd en wanneer een cel diploïd of haploïd is. 

Stappen van de eiwitsynthese:

In de bovenstaande cel staan de stappen die er gebeuren bij de eiwitsynthese. Kijk bij klas 4 voor alle stappen:

Van DNA naar aminozuurketen

In de eerste video wordt laten zien hoe je met de code van de coderende streng van het DNA, RNA kan maken. Om deze vervolgens af te kunnen lezen om hier de aminozuurketen van te kunnen maken. Hiervoor heb je wel je binas nodig. 

In de tweede film wordt laten zien wat er kan gebeuren bij een puntmutatie. 

Enzymen

Enzymen zijn eiwitten die scheikundige processen kunnen versnellen. Enzymen kunnen op een bepaalde temperatuur hun optimum hebben. Zo werkt het enzym amylase het beste op 37 graden( lichaamstemperatuur). Ook hebben enzymen een bepaalde optimum bij pH. Enzymen van de maag werken het beste in een zure omgeving.