Klas 4

Dit jaar gaan wij het over verschillende onderwerpen van biologie hebben. 
 In periode 3 gaan wij aan de slag met voeding, energie en vertering. Scroll voor de informatie van deze onderwerpen naar beneden. vanaf het verteringsstelsel gaat de informatie over dit onderwerp. 

Organisatie - niveau's

In de biologie wordt er in verschillende niveaus van het leven gesproken. Het is belangrijk dat je weet over welk niveau er wordt gesproken tijdens de uitleg.
De organisatieniveau's zijn:

Systeem Aarde: Heet ook wel Biosfeer
Levensgemeenschap: Dit zijn alle organismen die samenleven in een gebied
Populatie: Alle organismen van een zelfde soort die leven in een bepaald gebied en zich kunnen voortplanten.
Organismen: Levende wezens
Orgaanstelsel: Organen die samenwerken
Orgaan: Bijvoorbeeld de lever
Weefsel: Cellen met dezelfde vorm en functie
Cel: Bijvoorbeeld een levercel
Organel: Onderdeel in de cel
Molecuul: Bijvoorbeeld DNA

Stappen van de eiwitsynthese:

In de cel staan de stappen die er gebeuren bij de eiwitsynthese. Kijk in het kopje hieronder wat alle stappen zijn.

Eiwitsynthese

De stappen van de eiwitsynthese zijn:
 

  1. DNA wordt afgelezen en er ontstaat RNA 
  2. Er komt een kop en staart op het RNA, het RNA heet nu: 
  3. messengerRNA(mRNA) 
  4. MRNA gaat de celkern uit. 
  5. Er komt een ribosoom om het mRNA heen. 
  6. Het mRNA wordt afgelezen en er ontstaat een aminozuurketen. 
  7. De aminozuurketen gaat naar het ER en wordt daar gevouwen tot een eiwit. 
  8. Het eiwit gaat naar het golgis-ysteem om gelabeld te worden. 
  9. Het eiwit gaat of de cel uit, of wordt in de cel gebruikt. 


Bekijk hier onder de video over hoe je van de DNA code naar RNA gaat om vervolgens met je Binas de juiste aminozuren te kunnen vinden voor de aminozuurketen. 
De tweede video verteld wat er gebeurd als er een puntmutatie plaats vindt, en wat het effect is op de aminozuurketen. 

Eiwitsynthese

De stappen van de eiwitsynthese zijn:
 

  1. DNA wordt afgelezen en er ontstaat RNA 
  2. Er komt een kop en staart op het RNA, het RNA heet nu: 
  3. messengerRNA(mRNA) 
  4. MRNA gaat de celkern uit. 
  5. Er komt een ribosoom om het mRNA heen. 
  6. Het mRNA wordt afgelezen en er ontstaat een aminozuurketen. 
  7. De aminozuurketen gaat naar het ER en wordt daar gevouwen tot een eiwit. 
  8. Het eiwit gaat naar het golgis-ysteem om gelabeld te worden. 
  9. Het eiwit gaat of de cel uit, of wordt in de cel gebruikt. 


Bekijk hier onder de video over hoe je van de DNA code naar RNA gaat om vervolgens met je Binas de juiste aminozuren te kunnen vinden voor de aminozuurketen. 
De tweede video verteld wat er gebeurd als er een puntmutatie plaats vindt, en wat het effect is op de aminozuurketen. 

Eiwitsynthese

De stappen van de eiwitsynthese zijn:
 

  1. DNA wordt afgelezen en er ontstaat RNA 
  2. Er komt een kop en staart op het RNA, het RNA heet nu: 
  3. messengerRNA(mRNA) 
  4. MRNA gaat de celkern uit. 
  5. Er komt een ribosoom om het mRNA heen. 
  6. Het mRNA wordt afgelezen en er ontstaat een aminozuurketen. 
  7. De aminozuurketen gaat naar het ER en wordt daar gevouwen tot een eiwit. 
  8. Het eiwit gaat naar het golgis-ysteem om gelabeld te worden. 
  9. Het eiwit gaat of de cel uit, of wordt in de cel gebruikt. 


Bekijk hier onder de video over hoe je van de DNA code naar RNA gaat om vervolgens met je Binas de juiste aminozuren te kunnen vinden voor de aminozuurketen. 
De tweede video verteld wat er gebeurd als er een puntmutatie plaats vindt, en wat het effect is op de aminozuurketen. 

Van DNA naar aminozuurketen

In de eerste video wordt laten zien hoe je met de code van de coderende streng van het DNA, RNA kan maken. Om deze vervolgens af te kunnen lezen om hier de aminozuurketen van te kunnen maken. Hiervoor heb je wel je binas nodig. 

In de tweede film wordt laten zien wat er kan gebeuren bij een puntmutatie. 

Opdracht eiwitsynthese


Deze opdracht bestaat uit 2 verschillende opdrachten. In de eerste opdracht kijk je naar de onderdelen, producten en het proces om een eiwit te maken, en hoe dit in de cel gaat.
In opdracht 2 ga je zelf kijken vanaf de code van het DNA welke aminozuren er nodig zijn voor dit eiwit. 

Celcyclus 

UItleg video over de celcyclus met daarin de verschillende fasen en het verschil tussen chromosoom en chromatide. 

Mitose

In deze video wordt uitgelegd wat er in iedere fase van de mitose gebeurd.

De celcyclus laat zien welke cyclus de cel doormaakt. Iedere fase heeft zijn eigen functie en controlepunten. In de S-fase wordt het DNA gekopieerd. Iedere chromosoom kopieert zich, en het kopie wordt aan het origineel vast gemaakt. De chromosomen heten nu chromatide. Het origineel en de kopie samen noemen wij wel nog het chromosoom. De cel is na de S-fase nog steeds diploïd( 2n). 

De mitose is de fase waarin de celdeling plaats vindt. Deze deling bestaat uit verschillende fasen. In de tekening wordt er per fase laten zien wat er gebeurd. Bij mitose worden de chromatiden uit elkaar getrokken en van ieder chromosoom, gaat er 1 chromatide in een nieuwe dochtercel. 

De meiose is een celdeling om geslachtscellen te vormen. De meiose bestaat uit 2 delen. Meiose 1 en meiose 2. Beide delen hebben dezelfde fasen als de mitose. In meiose 1 worden de chromosoom-paren uit elkaar gehaald, en in de meiose 2 worden de chromatiden uit elkaar gehaald. 

Mitose

In deze video wordt uitgelegd wat er in iedere fase van de mitose gebeurd.

Diffusie

Bij diffusie gaan opgeloste stoffen van een plek met hoge concentratie (van deze stof) naar een plek met lage concentratie( van deze stof). Bijvoorbeeld bij een kopje thee. Als je een theezakje( hoge concentratie thee met smaak, geur en kleurstoffen) in een kopje met warm water doet, verplaatst het zit naar de plek in het thee kopje waar weinig tot geen thee is( lage concentratie).

Bekijk het maar bij een kopje thee, als je het zakje erin doet( let op: laat het zakje stil hangen!).
Wat gebeurd er?

TIP: ALS ER OP JE TOETS EEN VRAAG KOMT, WAAR DIFFUSIE IN VOORKOMT:  TEKEN DIT EN ZET EEN H OP DE PLEK VAN HOGE CONCENTRATIE EN EEN L OP DE PLEK VAN LAGE CONCENTRATIE. SCHRIJF ER OOK BIJ WELKE STOF ER VERPLAATST( DAN WEET JE ZEKER OF HET OVER DIFFUSIE GAAT). OP DEZE MANIER ZIE JE WAT ER GEBEURD EN KAN JE DE VRAAG BETER BEANTWOORDEN.

Diffusie vindt ook plaats in de longblaasjes. De longblaasjes zitten bij de mensen in de longen aan de uiteinden van de luchtpijp-takjes. Via de longblaasjes gaat het zuurstof( O2 in de tekening) in het bloedvat wat om het longblaasje heen zit. Dit gebeurd doormiddel van het proces diffusie. 

Er komt bij inademen veel zuurstof in het longblaasje. Doordat er een hoge concentratie zuurstof in het longblaasje zit, en een lage concentratie zuurstof in het bloedvat, zal de zuurstof door de wand van het bloedvat in het bloedvat terecht komen. 

Osmose

Bij osmose gaat het water van een plek met lage concentratie (opgeloste stof) naar een plek met hoge concentratie( van deze stof).

 Hiernaast is een vaas met een plantencel getekend. In de plantencel zit veel opgeloste stof, in het water niet. Hierdoor gaat het water via de gaatjes in de celwand en celmembraan de plantencel in. Hierdoor zal de plantencel bol gaan staan.

Als je naar de rode bloedcellen kijkt, kan het zo zijn dat er in het bloed een lage concentratie stoffen is, en in de rode bloedcel een hoge concentratie. Hierdoor gaat het water de bloedcel in. Als dit te veel gebeurd kan de bloedcel knappen, omdat deze geen celwand heeft.

TIP: ALS ER OP JE TOETS EEN VRAAG KOMT, WAAR OSMOSE IN VOORKOMT:  TEKEN DIT EN ZET EEN H OP DE PLEK VAN HOGE CONCENTRATIE OPGELOSTE STOF, EN EEN L OP DE PLEK VAN LAGE CONCENTRATIE OPGELOSTE STOF. SCHRIJF ER OOK BIJ WELKE STOF ER VERPLAATST( DAN WEET JE ZEKER OF HET OVER OSMOSE GAAT). OP DEZE MANIER ZIE JE WAT ER GEBEURD EN KAN JE DE VRAAG BETER BEANTWOORDEN.


Lesson up les Diffusie en Osmose

Bekijk de les met de onderstaande knop

Hyper-, hopo- en iso tonische oplossingen

Bekijk goed in wat voor een oplossing een cel is, om te kunnen bedenken wat er gaat gebeuren met die cel. 

Meiose:

In de volgende video worden de stappen van de meiose verteld. 

Opdracht meiose

In deze opdracht ga je per fase aangeven wat er in de cel(len ) gebeurt. In het recht hoekje geef je aan wat er op dat moment gebeurt in de cel. In het rondje maak je een tekening over die fase, en in de balk noteer je hoeveel stukjes DNA er in de cel zit. 

De verschillen tussen mitose en meiose:

1. Meiose begint met 1 moedercel (diploïd) en na meiose 1 en 2 zijn er 4 dochtercellen(haploïd) ontstaan. De mitose begint met 1 moedercel en eindigt met 2 dochtercellen( diploïd) 
2. Bij de meiose 1 worden na de metafase de chromosomenparen uit elkaar gehaald( vandaar dat er na meisoe 1 al twee  haploide cellen ontstaan). Bij de mitose gaan na de metafase de chromatiden uit elkaar. Bij de meisoe gaan pas in meiose 2 de chromatiden uit elkaar. 
3. Meiose is voor de vorming van geslachtscellen en mitose voor de lichaamscellen. 

Voedselkringloop

De producenten zetten bepaalde stoffen om via fotosynthese. De consument eet de producent en krijgt zo deze stoffen binnen. Hierna gaan de afvaleters die in de bodem zitten hun stoffen halen uit producenten en consumenten. Voorbeelden van afvaleters zijn: wormen, pissenbedden en mestkevers. Hierna gaan de reducenten aan de slag. Reducenten zijn schimmels en bacteriën. Zij zetten de stoffen weer om in mineralen die weer door de producenten gebruikt kunnen worden. 

voedselketen, voedselweb en voedselpiramide

Bekijk de video

Kringlopen: 

In deze video wordt er uitleg gegeven over de koolstof en stikstof kringloop:

Bestel online en haal je bestelling voor de deur van onze winkel op.

Eenergiestromen in een organisme:

Successie en climax

In deze video leg ik uit wat deze begrippen betekenen.

Koolstofkringloop

Bij de koolstofkringloop zijn er 2 processen erg belangrijk:
Assimilatie: fotosynthese
Dissimilatie: verbranding

Stikstofkringloop:

Hierboven staat de stikstofkringloop. 
Wat niet in deze afbeelding staat zijn de knolletjesbacteriën. Deze bacteriën kunnen bij de wortels van planten zitten. Zij zullen ook de ammonium en ammoniak wat in de bodem zit om kunnen zetten in nitriet en nitraat. Op die manier kan de plant daar gebruik van maken. 

De 6 voedingsstoffen:

Koolhydraten

Vetten

Eiwitten

Water

Vitamines

 Mineralen

Enzymen

Enzymen zijn eiwitten die scheikundige processen kunnen versnellen. Enzymen kunnen op een bepaalde temperatuur hun optimum hebben. Zo werkt het enzym amylase het beste op 37 graden( lichaamstemperatuur). Ook hebben enzymen een bepaalde optimum bij pH. Enzymen van de maag werken het beste in een zure omgeving. 

Enzymen die nodig zijn voor de vertering van voeding

Zetmeel( koolhydraat) wordt in kleinere stukjes glucose geknipt. De enzymen die dit doen zijn:
Amylase en Maltase

Vetten worden in kleinere stukjes glycerol en vetzuren geknipt. De enzymen die dit doen zijn:
Lipase

Gal zorgt er eerst voor dat de grote vetklonten, kleinere vetdruppels worden, zodat de lipase hier goed mee aan de slag kan. het kleiner maken van de grotere vetklonten door gal noemen wij emulgeren. 


Eiwitten wordt in kleinere stukjes aminozuren geknipt. De enzymen die dit doen zijn:
pepsine en peptidase


Oefenopdracht Vertering

Geef bij de volgende onderdelen aan wat het is:

Bij 1 t/m 6 moet je de organen benoemen.
Bij A t/m H de enzymen
stof 1: de stoffen die gevormd zijn op die plek
verteringsproducten 1 t/m 3: de verteringsproducten die zijn ontstaan

Werkblad (An) Aerobe dissimilatie

In deze werkbladen staat het proces van dissimilatie. 

Voedingsstoffen en verteringsproducten het bloed in:

Water, vitamines en mineralen kunnen zo het bloed in via de darmcellen. Koolhydraten, vetten en eiwitten moeten eerst omgezet worden in verteringsproducten:
koolhydraten: in glucose
eiwitten: in aminozuren
vetten: in vetzuren en glycerol.
De vetzuren kunnen niet meteen het bloed in, die worden door de darmcel in een blaasje gestopt en gaan via het weefselvloeistof eerst naar het lymfevatenstelsel. Hierna gaan zij via de ondersleutelbeenader naar het bloed. 

De lever heeft verschillende taken, deze worden in de bovenstaande afbeelding uitgelegd. 

Opslag glucose

Als er te veel glucose in het bloed zit, dan wordt de glucose eruit gehaald en opgeslagen in de lever. Insuline komt dan bij de glucose om hier glycogeen van te maken. Als de glucose weer nodig is, komt er glucagon bij om van de glycogeen weer glucose te maken. 


Kringloop met verbranding en en fotosynthese

Bij de mens vindt er verbranding plaats in de spieren. Hierbij wordt er gebruik gemaakt van glucose en zuurstof. er ontstaat water, koolstofdioxide en energie. 
Bij planten vindt fotosynthese plaats in de bladgroenkorrels. Hiervoor gebruiken zij water en koolstofdioxide. Als er dan zonlicht op de bladgroenkorrel schijnt ontstaat er glucose en zuurstof die dan weer door de mens gebruikt kan worden. Dit is een voorbeeld van een kringloop.